1 juli

Enkele weken geleden deed ik mee aan een discussieavond over het slavernijverleden, waar de hoofdredacteur van een grote krant vertelde dat hij pas kort begrijpt waarom zwarte mensen zich verbonden voelen aan hun slavernijverleden, ook al hebben ze het nooit zelf meegemaakt. Slap verhaal …

Ik ben vergeten om hem te vertellen over hoe mijn omas oma, die op 1 juli 1863 vrijkwam, aan onze achternaam kwam en dat het hebben van die naam alleen al mijn reden is waarom ik dat verleden nooit zal vergeten. Dat ik het daarom altijd bij me draag.

San mi no taki na san mi frigiti.

Ik zie mijn oma zo voor me op de dag dat ze hoorde dat ze vrijkwam.

Ze zat op het stoepje van het houten slavenhuisje waarin ze geboren was en waarin ze nagenoeg haar hele leven gewoond had. Waar haar kinderen ook geboren waren.
Ze droeg een versleten jurk die nog van de missi was geweest, met het haar gebonden in een witte hoofddoek. Ook haar kinderen waren gekleed in hun beste slavenkloffie van afdankertjes. Maar verder waren ze blootvoets.

Ze keken de witte man die speciaal voor hen uit Paramaribo was gekomen aan met dat soort wantrouwen dat ontstaat na honderden jaren onderdrukking. Hij was een jonge missionaris, net uit Nederland aangekomen om het slavenvolk dat op 1 juli vrij zou komen te helpen bekeren. Een prachtige taak vond hij het.

Een sproetneus, nog maar net ouder dan 20; hij zweette constant en hij zat onder de muskietenbeten. Hij was al enkele dagen in het gebied om aan de slavenbevolking te vertellen dat emancipatie eraan kwam. Samen met een groepje andere mensen van de kerk trok hij al enkele weken van plantage naar plantage met de blijde tijding. Ze reisden in een grote boot die werd geroeid door tot slaaf gemaakten; de ironie daarvan ontsnapte hen.

Hij las de proclamatie voor waarin de gouverneur aankondigde dat per 1 juli 1863 alle tot slaaf gemaakten in Suriname vrij zouden zijn.

‘Het heeft Zijne Majesteit Onzen geëerbiedigde Koning behaagd den dag te bepalen, waarop de slavernij in de kolonie Suriname voor altijd afgeschaft zal zijn. Op den 1ten Julij 1863 zijt gij vrij! De koning, verlangenden allen die onder Hoogstdeszelfs vaderlijk gezag leven gelukkig te zien, heeft gewild, dat u die blijde tijding reeds nu bekend gemaakt zou worden, opdat Gij in vreugde en tevredenheid, dat zoo zeer gewenschte tijdstip afwachten kunt.’’

Hij kon bij het opratelen van deze zinnen zijn trots niet bedwingen. Hier was hij het die aan de slaven de blijde boodschap mocht brengen dat het koning Willem III behaagd had dat ze vrij zouden zijn. Hiervoor was hij naar Suriname gekomen!

Bij vorige plantages waar hij deze ceremonie opvoerde, reageerden ze emotioneel. De arme zielen hadden al veel eerder gehoord dat de dag aankwam dat ze geen slaven meer zouden zijn, maar het werd telkens uitgesteld. Dat het nog zou gebeuren hadden velen van hen niet durven dromen.
Hij werd overal weer anders ontvangen. Sommigen gingen spontaan dansen van blijdschap. Een enkeling sloot hem ongegeneerd in de armen en huilde tranen van blijdschap. “Jongu masra! Grantangi fu disi blijti boodschap.” Anderen vielen op hun knieen en dankten de Heer en gingen met hem in gebed. De Koning was een groot en barmhartig man!

Maar de reactie die hij kreeg van dit oude vrouwtje had hij niet verwacht. Toen hij vertelde dat de bakra basi uit zichzelf had besloten dat slavernij was afgeschaft, reageerde ze verveeld:
“Suma prefur yu fu kon taigi blakaman taki den fri now? Unu ben de srafu, ma ini wi hati wi ben fri k’ba,” zei ze kalm, ‘wie geeft jou het recht om aan zwarte mensen te komen vertellen dat ze nu vrij zijn. We waren slaven, maar vrij waren we altijd al in onze harten.”

Ze vroeg hem of hij doorhad dat zijn boodschap van vrijheid een totaal onnodige was. “Yu wan’ taygi mi dati yu kon te dyaso fu taygi mi dati yu kownu sabi fosi now dati blakasma na libi sma tu? Dan a lati. Mi ben sabi dati mi heri libi k’ba”. Als jouw koning nu pas doorheeft dat zwarte mensen ook mensen zijn dan is hij rijkelijk laat. Ik wist dat mijn hele leven al.

Fu san ede yu denki taki nengre ben lowe go na busi? Fu san ede yu denki dati den busi nengre tan feti katibo ala den yari langa? Bika a ben bun so?” Waarom denk je dat mensen naar het bos vluchtten en zich bleven verzetten tegen de slavernij? Omdat het zo goed was?

Echt. Binnenkort meer!