Sranan Tongo

Ik was gisteren een beetje teleurgesteld, in mezelf. Ik stond in een zaak naar een apparaat te kijken en te overwegen of het zou doen wat ik wilde, toen een meneer aan kwam lopen en meteen vastbesloten eentje van het rek pakte en in zijn kar plaatste.


Ik vroeg “U bent zeker van uw zaak. Werken deze dingen wel goed?

Hij reageerde “ja mang! A man bun k’vaarlijk. Dis na a tweede wan san mi e bai!” Hij deed zo’n gezicht van¬†ūüíĮ! dat alleen Surinamers kunnen doen.

Ik had niet verwacht dat hij me in het Sranan zou antwoorden en moest even zoeken naar woorden om het gesprek verder te voeren in het Sranan. En we belandden toen maar op het Nederlands voor de resterende twee zinnen van ons gesprek.

En dat maakte me kwaad, op mezelf. Want ik ben vloeiend in het Sranan. Het is de taal die mijn voorouders creeerden in een periode waarin ze niet verwacht werden iets te creeren.

Waarom was ik dan niet adrem erin? Zou ik ook met een mond vol tanden zitten als hij me had aangesproken in het Nederlands? In fact, ik zou toch helemaal blij zijn als hij Engels sprak?

Had de indoctrinatie van vroeger die me opdroeg meer respect te hebben voor de koloniale taal dan de mijne, nog steeds invloed op me? Neen toch? Mijn afkomst vervult mij toch met diepe trots? Ik schaam me toch niet voor het Sranan? Ik ben toch niet een van die mensen die in een publieke setting alleen maar Hollands praat met andere Srananman omdat dat beter klinkt?

Ik vond het toch mooi dat deze man gewoon zonder rem, uit volle borst onze taal sprak? De taal die ons bovenal verbindt? Dat hij dat deed met mij was toch ook een teken van respect? Van herkenning? Van broederschap? En dat zonder mij te kennen!

Ik liep hem toen maar snel achterna, om nog wat meer vragen t e stellen over het apparaat en er een heel geprek over te voeren, in het Sranan, zonder een woordje Nederlands, zoals heel nationalistische vrienden in Suriname die de Sranan spelling opstelden, vroeger wel eens van me eisten.

“I mus man tak Sranan Tongo sondro wan wortu ptata tongo,” eisten ze.

Ik had iets goed te maken naar ze, want ik was echt teleurgesteld, in mezelf.

Ma eingelek tok, fu lespeki gi den man dati, fu lespeki gi den bigi wan, mi be’m’ gi a her’ tori disi in Sranan Tongo tu!