Twee secondes

Oeff wat was hij boos. Ziedend! Tijdens sport had een ander jongetje hem een “boeler” genoemd en dat kon hij niet hebben.
 
Hij en ik hebben vanaf het eerste moment een band. Zo’n ontastbare die je niet snapt, niet ziet, maar diep in je ziel voelt. Slim, maar verveeld met zijn school omdat hij een te laag schooladvies kreeg en daardoor niet uitgedaagd wordt.
 
Maar nu is hij voor niemand bereikbaar wanneer ik aankom.
Hij slaat de handen van andere coaches van zich af die hem proberen te bedaren.
 
Grijpt zijn spullen bij elkaar en stormt weg, de gymzaal uit, huilend van woede. “Als je nu weggaat hoef je hier niet meer te komen,” gil ik hem nog na. Dat dringt wel tot hem door. Want hij wil wel kunnen terugkomen.

Ik tref hem in een hoekje, in elkaar gehurkt, met zijn hoofd tussen zijn knieën en z’n handen in elkaar gedrukt bij zijn voeten. Hij barst bijna van de woede. Grrrrrrrrr. Tranen van ingekropte boosheid stromen over z’n wangen.

Ik ga op mijn knieën en leg mijn hand op zijn handen bij zijn voeten en laat hem in m’n warmste zwarte mannen bass weten.

“hey. Ik ben hier … Ik ben hier … Ik ben hier …”

Soms is ‘dat’ weten genoeg.

Hij hoort me. Kijkt me niet aan, maar onder mijn hand voel ik de kalmte terugkeren. Langzaam.
En we praten. Hij vertelt dat hij die andere jongen wil doodmaken. Nog steeds!

Dus ik vertel hem over die ene keer dat ik iets deed in een opwelling; dat het bijna mijn toekomst verknald had. En die mensen die ik vroeger kende die andere mensen hebben doodgeschoten … hoe het hen verging na dat korte moment van onbeheerste woede. En over die vent die naar het huis van zijn zus reed en haar man overhoop schoot met een jachtgeweer … zijn zus had hem gebeld dat haar man haar weer aftakelde. “Ik heb de bloedige crime scene foto’s nog gezien.”

Mijn student keek me met grote ogen aan. “Maar wat moet ik dan doen? Hij begon! Dat moet ik toch aanpakken?”

Ik wees hem toen op de grote witte muur waartegen we aan geleund waren. Vlekkeloos van ver, met hele kleine imperfecties die je echt moet gaan zoeken wil je ze zien. Iedere muur heeft ze.

Ik vond er één. “Zie je dat? Dat daar is dat moment dat die jongen je plaagde. Die twee secondes dat er iets uit zijn mond kwam dat je boos maakte. De rest van die witte muur is je leven. Laat die twee secondes niet je hele leven beheersen. Hoe mooi is zo’n vlekkeloze muur?”

Hij glimlachte. Vond het een mooie overweging.

Maar ik was niet klaar met ‘m. “Ik heb jou vanmorgen nog een vlieg genoemd, weet je dat?”

“Huh, hoezo? Ik heb toch niks gedaan vanochtend?”
Hij was natuurlijk vergeten dat hij vorige week een meisje ook tot huilen toe gepest had. Ik had haar ook gesproken en haar hetzelfde ‘twee secondes’ verhaal verteld, maar daarin was hij een vlieg die haar even lastig viel. “Die wuif je weg en je gaat door met je leven,” zei ik haar.

“Shit meester.” Die grote ondeugende lach met die tanden die net een beetje te groot zijn voor zijn mond, was teruggekeerd. Hij herinnerde zich ineens dat hijzelf ook geen koorknaapje is.

Toen was het weer helemaal goed en moest hij van mij nog even de gymdocenten een hand gaan geven en zich verontschuldigen voor zijn ongeremde woede-uitbarsting. Hij keek die jongen die hem geplaagd had niet aan. Hij wilde hem eigenlijk een onbevreesde boze blik toewerpen -“Ik ben niet bang van ‘m!!-, maar dat mocht van mij niet.

Blijkt dan dat die jongen helemaal socially awkard is en eigenlijk niet echt goed doorheeft wanneer hij onder iemands huid zit. Zo één waar je eigenlijk niet boos op kan worden.
Zucht.