Niet mijn soort mensen

Een paar weken geleden hadden we een journalistieke discussie over het N-woord. Of je het nou verkort wanneer iemand die je interviewt het zegt. Ik zei “absoluut.”

“In ieder ding dat ik schrijf komt het woord n.g.r niet voor! We zijn het erover eens dat het woord niet in deze tijd thuishoort. Ik wil dat het wordt verbannen en aangezien ik geloof dat journalisten hun lezers onderwijzen, is het mijn taak als journalist om mijn lezers het juiste te leren. We hebben een voorbeeldfunctie.”

“Ja maar het stijlboek zegt dat je niet aan een citaat mag komen. Je dient precies te schrijven wat gezegd wordt.”

Ik reageerde: “Fuck het stijlboek … het is niet door mij geschreven, maar door een stel oude witte mannen. Die hebben geen zwarte mensen geconsulteerd, geen enkele groep mensen die als minderheid gezien werd en dus ook geen vrouwen. Tegenwoordig gaat die vlieger niet meer op. Ik bepaal mee over hoe er over mij geschreven wordt en zeker op het mediaplatform dat ik run. Nogmaals, zo breng je verandering.”

Fuck ook meteen de hele journalistenbeweging.

Want ook daar heeft alleen een stel mannen het voor het zeggen, die nu besloten schijnen te hebben dat racisme een politieke aangelegenheid is waar hun clubje zich niet aan moeten branden.

“We zijn niet voornemens acties tegen zwarte piet te ondersteunen. We zien het als een politieke aangelegenheid en als neutrale, onafhankelijke journalistenbond nemen we geen standpunt in, in deze kwestie,” schrijft iemand van de Nationale Vereniging van Journalisten naar de Secretaris van de Britse Unie van Journalisten NUJ, in reactie op vragen van laatstgenoemde organisatie over onethische verslaggeving over de zwarte piet demonstranten door Nederlandse journalisten.

Vinger in de keel … braak!

De vragen van de NUJ aan de NvJ waren door mij aangezwengeld, nadat ik vorig jaar wreed struikelde over het artikel in De Telegraaf dat Jerry en Mitchell linkse terroristen noemde, het tv programma waarin Jerry naar de zijlijn verbannen werd omdat iemand die veroordeeld was voor het in gevaar brengen van mensenlevens niet met hem aan tafel wilde zitten, het artikel dat demonstranten zeurpieten noemde en het opiniestuk waarin Jerry gezegd werd dat hij maar naar Ghana moest teruggaan (als hij het hier niks vond) omdat er daar genoeg werk te doen zou zijn.

Als lid van de Black Members Council van de NUJ had ik de NUJ gevraagd haar zusterorganisatie te vragen erop toe te zien dat haar leden zich ethisch opstellen en hun werk naar eer en geweten doen.

Ik refereerde naar de richtlijnen van de NUJ voor het verslag doen van rassenkwesties

· Leden hebben een verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat racisme niet wordt geuit in de media

· (want) racistische attitudes zijn een gevaar voor de democratie, een vrije pers en raciale gelijkheid

· Publicaties en mediaorganisaties zullen geen materiaal ontwikkelen en faciliteren dat racisme stimuleert

· Leden hebben het recht om dienst weigeren op basis van hun geweten, wanneer hun werkgevers een platform bieden voor racistische propaganda

· Redacteuren moeten garanderen dat verslaggeving gerelateerd aan rassenkwesties, geplaatst worden in een gebalanceerde sociale en ethische context

. Journalisten hoeven geen verslag te doen van racistische organisaties en hun activiteiten.

Ik vond het ontmoedigend om in 2018 nog aandacht te moeten vragen voor deze simpele basisprincipes van de journalistiek, maar naar blijkt is het nu nog nodig.

Zeker als de NvJ niet doorheeft dat racisme aanvechten geen politieke kwestie is. En als grootste journalistenorganisatie (die zich nu ineens een bond noemt) niet snapt dat haar niet wordt gevraagd een standpunt in te nemen tegen zwarte piet, maar wel tegen onethische journalistenpraktijken. Zwakker dan een journalistenvereniging (of bond, whatever) die geen standpunt inneemt en als een bitch schuilgaat achter “politieke aangelegenheid”, is het niet vaak.

Dan ben je even bruikbaar als vlijmscherpe hoektanden op een lieve kleine rose guppie: nutteloos!

Twee weken geleden verscheen er een “rijk gevulde roman” over de slavenhandel, dat werd geroemd voor haar “boeiende omschrijvingen over de ontberingen van de Europeanen in den vreemde”. Ja, een boek over slavernij vanuit het perspectief van de slavenhandelaars die het moeilijk hadden. Kots!

Er is maar een soort mens dat slavernij op die manier kan bekijken. Of vanuit een economisch perspectief kan praten over de verliezen die slavenhandelaars leden. Het is hetzelfde soort mens dat institutioneel racisme een politieke aangelegenheid kan noemen. Dat tegenwoordig het woord n.g.r klakkeloos wil gebruiken en zich daarvoor beroept op het stijlboek.

Dat is het soort mens wiens voorouders niet tot slaaf zijn gemaakt, dat nooit marginalisatie heeft meegemaakt, niet heeft hoeven op te boksen tegen discriminatie, nooit racistisch bejegend is, nooit in een positie geplaatst is waarin hij zijn menszijn hoefde te verdedigen.

Dat zich “onafhankelijk en neutraal” kan noemen wanneer mensen opzettelijk en bewust onheus bejegend, racistisch behandeld, consistent gemarginaliseerd, gediscrimineerd en pijn gedaan worden. Die kan dan wegkijken.

Niet mijn soort mensen dus.