Niet allemaal

IK PRAAT NIET GRAAG MET MENSEN IN UNIFORM die een vak beoefenen dat hun macht geeft … want ze weten zich vaak niet te gedragen. Ik heb er veel ervaring mee.
Die cipier op fiets die me sommeerde van mijn fiets te stappen en er naast te gaan lopen, terwijl hij kon zien dat ik al was aangekomen waar ik moest zijn. Hij legde echt zijn handen op zijn pistool toen ik hem aankeek met een blik die zei “je hebt de autoriteit niet om verkeerspolitie te spelen!” en door wilde fietsen.
Hij gromde “Saka fu a fiets!” naar me.
Ik ben er toen maar van afgestapt.
Hij trots op zichzelf!
Die hele dikke politie-inspecteur die mijn fiets in beslag nam, terwijl ik er al van was afgestapt, lang voordat ik de verkeerscontrole bereikte waar ze op licht en remmen checkten.
Die beveiligingsambtenaar met wiens zus ik op school heb gezeten en die naar me snauwde toen ik hem eens vroeg hoe het met haar ging. “Doorlopen meneer,” knorde hij en greep zijn uzi nog harder vast.
Die agent die inmiddels twee mensen heeft doodgeschoten en na mijn artikel over de eerste aan me zei dat ik voorzichtig moest zijn met wat ik allemaal schreef.
Die agent die me eerst boos van kop tot teen bekeek toen ik aankwam op een plek waar er een moord was gepleegd en ik hem vroeg wat er gebeurd was en me zei “get the fuck out of here”. Ok, hij en ik hadden een persoonlijke beef want hij was een wife-beater en ik wist ervan, maar toch … professional courtesy bro.
Die agent -in burger- die om zes uur ’s middags hard sloeg op de motorkap van mijn auto en gilde “doe je lampen aan!” Hij was met een paar vrouwen en moest zich doen gelden toch.
Die agent -hij is inmiddels dood- die mijn maat de fotograaf met een gummi-knuppel te lijf wilde gaan omdat we langs hem wilden rijden terwijl we de ravage van een orkaan aan het verslaan waren.
Die dronken commissaris die me jarenlang te vijand hield en op me loerde omdat hij niet doorhad dat je altijd moet nadenken voordat je je mond opentrekt en de verkeerde dingen aan een journalist zegt. Ik was aangekomen op de scene waar een stel Amerikaanse soldaten zich te pletter hadden gereden en toen ik hem vroeg wat er was gebeurd zei hij “they were flying”. Toen dat de volgende ochtend de headline was in de krant en hij ervoor op het matje werd geroepen, nam hij mij kwalijk wat uit zijn eetgat was gekomen … je kan geen professionele relatie verwachten die je niet hebt gecultiveerd.
Die agent op motorfiets die bij een stoplicht in Amsterdam naast me stopte en ik dacht “hey, hij kan me helpen”, dus ik deed mijn raam naar beneden, groette netjes, negeerde zijn norse blik en vroeg “is de volgende afslag naar de snelweg of is het de ene die daarna volgt?” Hij gromde terug “hrm deze”, keek weg en sjeesde ervandoor op zijn motor terwijl ik mijn raam hoofdschuddend weer dichtdeed. En jawel hoor, het was niet die afslag, dus ik moest een paar kilometer de verkeerde richting op. Hork!
De macht van een uniform.
En ze beschermen elkaar!!
Jaaren geleden had mijn neef iets stoms uitgehaald en ik moest aangifte doen bij een politiebureau in Paramaribo.
En terwijl ik met de rechercheur zat te praten hoorde ik in een kamertje naast hoe een agent een verdachte aan het aftuigen was. Het geluid van de slagen en het gekerm kwam dwars door de muliplex wand door.
Ik vertelde het jaren daarna aan de hoogste politiecommissaris in een ander land en hij stopte me halverwege mijn verhaal door zijn hand op mijn dij te leggen, me strak in mijn ogen aan te kijken en me te vragen “did you see it happen with your own eyes or are you telling me something you heard?”
Ik heb wat vrienden die politieagent zijn, maar als ik je niet ken en je bent in uniform, vermijd ik je liever.
Daarom, toen ik eergisteren in Rotterdam niet wist of het ongelimiteerd parkeren was op de Kruiskade -en niemand me dat kon vertellen- waren die twee patrouillerende agenten die ik tegenkwam niet mijn eerste keus om te vragen om informatie.
Een korte en een lange en ze waren aan het gebaren naar iemand die half in een parkeervak stond. Nope, dacht ik!
Ik liep een winkel in, vroeg het daar aan iemand maar die wist het ook niet zeker.
Toen ik weer naar buiten liep was die ene agent, die korte, onder de motorkap van de auto gebogen, met zijn handen onbekommerd tussen de kabels aan het rommelen. De chauffeur, een Turkse meneer denk ik, stond er moedeloos bij.
Zijn auto had het begeven en de agenten hadden hem geloodsd naar het parkeervakje, waar die korte met het donkere haar een heuse monteur bleek te zijn.
Ik stopte bij die lange -we waren even groot – en ik keek door de donkere glazen van mijn zonnebril naar zijn ogen achter de donkere glazen van zijn zonnebril en vroeg “hey, mag ik wat vragen? Is het hier in de straat ongelimiteerd parkeren of krijg ik straks binnen een kwartier een melding dat ik eruit moet?”
Een frons vormde boven de rand van zijn zonnebril; ik dacht “hier komt het,” maar hij was aan het nadenken en toen zei hij dat het volgens hem wel goed zat. En het zat goed ook!
Een normale reactie van een mens op de normale vraag van een ander mens. Zoals het ook kan.
Maar misschien is het een Rotterdam ding?