Ai no, deze tori nog

Ik wil morgen kerrie krabu doi klaarmaken, dus ik fiets gisteren naar de toko. Niet meer dan drie mensen mogen de zaak in en iedereen houdt mooi afstand van elkaar.

Wanneer ik binnenloop zie ik die vent staan bij de diepvriezer waarin de krabu doi zijn, dus ik loop met een bocht om hem heen om eerst alle andere dingen te pakken die ik wil kopen; flesje ketjap voor de bbq van vandaag, een fles orgeade, een pakje kerrie.

Duurt een minuut of vijf, maar als ik klaar ben staat hij nog daar. Hij is een etiket aan het lezen, aandachtig, alsof hij iedere letter moet spellen, woord voor woord.

Dus ik stop op 2 meter afstand van ‘m en kijk zijn rug aan, want dat moet m laten voelen dat ik naar hem kijk toch. Een minuut gaat voorbij en nog leest hij, onbekommerd, alsof hij in z’n woonkamer staat.

Ik: “ahum, meneer, ik wil graag wat pakken uit die diepvries … u staat ervoor … ik kom niet graag in uw privé space.”

Hij kijkt naar me om, zonder enige emotie in z’n ogen, maar hij hoorde me wel. Hij zucht en schuift een beetje op, staat nu aan het linkereind van die diepvriezer. En die is ongeveer 1.75m breed.

Ik denk “really?” en rol met m’n ogen, maar dat schijnt hij niet te horen.

Dus ik geef maar vrij spel aan die kriebelhoest die in mijn keel zit vanwege het harde fietsen. “Uuurghhh uche uuuergh.” Die hoest die eigenlijk een geelgroene lugy naar boven moet schrapen.

Een beetje overdreven, maar dit hoorde hij wel. Ik zag vanuit mijn linkerooghoek hoe hij me een beetje verschrikt aankeek en twee stappen naar achteren deed. Ik glimlachte heimelijk.

Ik pakte m’n krabu doi -dure dingen man- en ging afrekenen. Hij kwam er toen ook staan, maar hield nu wel afstand. Ik zweette ook nog een beetje, dus hij nam geen kans.

Zo laat je Corona voor je werkten.